08 maart 2021

De Friese aanpak in passend onderwijs

Zelf vinden ze het allemaal niet zo bijzonder wat ze doen, maar bezien vanuit de rest van het land krijgen ze een hoop voor elkaar in Friesland. Zo ging in 2019 Foar Fryske Bern (Voor Friese kinderen) van start, een provinciebreed project om de jeugdhulp beter te laten aansluiten op de praktijk.

Thuisnabij en zo inclusief mogelijk

Wat in de gesprekken met Friese bestuurders en beleidsmedewerkers opvalt, is dat ze niet het gevoel hebben dat er sinds de komst van passend onderwijs en de transitie van de jeugdzorg in 2015 nou zoveel veranderd is. 'We werkten in grote lijnen altijd al zo', zegt Ludo Abbink, directeur van Samenwerkingsverband Passend Onderwijs PO Friesland. 'De regelgeving is op onderdelen wat anders, is wat helderder geworden, maar voor onze praktijk heeft het niet veel verschil gemaakt. Thuisnabij en zo inclusief mogelijk onderwijs is al heel lang de praktijk waar ons beleid zich op richtte.'

De schaalgrootte van de provincie vergemakkelijkt de continuïteit in de Friese aanpak. De grotere afstanden zorgen ervoor dat scholen van oudsher gedwongen zijn kinderen zo dicht mogelijk bij huis de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben. Je zou dit een geografische stimulans voor meer inclusie kunnen noemen, die lastiger is te realiseren in een dichter bevolkt gebied. Friesland is ook een logisch samenhangende regio, waar je minder snel van de ene werkplek naar de andere verhuist, zoals in andere regio’s gebruikelijker is. Dit zorgt ervoor dat mensen langer op hun post blijven waardoor je echt kunt werken aan relaties op de lange termijn.

'Nee zeggen is geen optie'

Binnen het onderwijs in Friesland zijn ze eraan gewend om met elkaar kleine stappen te zetten zonder daarover eerst eindeloos te overleggen. Anja Biemans, directeur van Samenwerkingsverband Fryslân-Noard, noemt als voorbeeld de thuiszittersaanpak: 'We zijn klein begonnen met één docent die het wel wilde proberen. Van daaruit hebben we langzaam een netwerk en een aanpak opgebouwd die we nooit van tevoren zo hadden kunnen bedenken.'

Een ander voorbeeld dat ze graag wil noemen is van een autistische, zwaar gehandicapte leerling van 13 jaar die nog nooit onderwijs had gehad. Bij een test bleek hij toch op het Citoniveau van groep 8 te zitten. Met al zijn beperkingen staat hij nu ingeschreven bij een havo/vwo-school waar hij al doende begeleid wordt in zijn verdere ontwikkeling. 'Met elkaar hebben we uitgesproken dat we deze leerling willen helpen', zegt Biemans. 'Nee zeggen is geen optie. Met zo’n instelling, waarbij centraal staat wat er mogelijk is, kom je in de praktijk best ver. Als je elkaar daarin het vertrouwen geeft, komen er vele bloemen tot bloei.'

Ludo Abbink gelooft daarbij in de kracht van incrementeel veranderen: in kleine stapjes de praktijk aanpassen. 'Je krijgt dan iedereen mee. Soms gooit iemand zijn kont tegen de krib, en ook dat heeft een functie. Je doet dan soms weer even een stapje terug, omdat de tijd nog niet rijp is, of omdat je iets over het hoofd had gezien. Dat leidt alleen maar tot betere processen en een betere praktijk.'

*

De Friese aanpak in Inspiratieregio Leeuwarden

Hanny Voskuylen, projectleider Steunstructuur 0-12 jaar en beleidsadviseur bij de gemeente Leeuwarden, haalt veel inspiratie uit het onderzoek De veranderende gemeente dat Thijs Homan, hoogleraar Change and Implementation bij de Open Universiteit Nederland, in 2019 publiceerde in opdracht van het A&O fonds Gemeenten. Hij toonde aan dat grootschalige verandertrajecten bij gemeenten voornamelijk plaatsvinden ‘voor de bühne’, om te laten zien ‘hoe goed we bezig zijn’. Intussen gaan de mensen op de werkvloer gewoon door met wat ze altijd al deden. Échte verandering vindt pas plaats vanuit kleine bewegingen die ontstaan vanuit mensen zelf. Veranderfonteintjes, noemt Holman die, in gang gezet door ‘de gekken die de kar willen trekken’ zoals Voskuylen ze graag noemt.

Zelf is ze met verve een van die ‘gekken’. Niet altijd tot even groot enthousiasme van haar omgeving, maar iedereen weet ook: zonder mensen als zij ontstaat er weinig echte vernieuwing. De afgelopen jaren heeft ze zich met succes ingezet voor de komst van Integrale Kindcentra waaraan jeugdondersteuners werden toegevoegd. Inmiddels zit ze in de laatste fase van een volgende stap in dit proces: de ontwikkeling van Plus-IKC’s waar het team van onderwijs en kinderopvang in een IKC wordt versterkt met expertise van een jeugdondersteuner en pedagoog met als doel de vorming van een multidisciplinair team.

'Je moet het zien als een boeiend spel', zegt Voskuylen. 'Als je weet wat er speelt op de werkvloer kun je alle niveaus van het beleid beter met elkaar verbinden. Natuurlijk weet je wel ongeveer wat je wilt, maar het gaat niet werken als je van bovenaf een plan uitrolt: zo gaan we het doen. Je zoekt naar de juiste mensen op alle niveaus die met elkaar dezelfde taal spreken. Dan begin je te schaken, op verschillende borden tegelijk, en met geduld. Zo ontwar je met elkaar stap voor de stap de ingewikkelde kluwen van politiek en beleid en komt de boel in beweging.'

Met elkaar het beste willen voor ieder kind

Marijke Schilperoord, coördinator en projectleider jeugd bij Sociaal Domein Fryslân, herkent zich in deze aanpak. SDF probeert samen met gemeenten en samenwerkingsverbanden de inzet van jeugdhulp binnen het onderwijs effectiever en efficiënter te regelen. Het is een proces van kleine stappen vooruit, en soms weer een stap terug.

'Het kan dan gaan om gevoeligheden rond zeggenschap: wie bepaalt en betaalt? We zoeken altijd naar partnerschap. Daarbij houden we het gezamenlijke doel voor ogen: dat we met elkaar het beste willen voor ieder kind. Op de korte termijn kan de weg daar naartoe voor iedereen anders zijn, op de lange termijn komen we op hetzelfde uit.'

Langetermijndenken, daar is volgens Voskuylen en Schilperoord, het meeste behoefte aan in dit soort verandertrajecten. 'We willen bijvoorbeeld af van steeds weer nieuwe aanbestedingstrajecten in de jeugdhulp. We streven ernaar om voor acht of tien jaar afspraken vast te leggen. Dat creëert rust, daar is enorm veel behoefte aan. Pas als er rust is, is er ruimte om te innoveren.'

*

De Friese aanpak in Inspiratieregio Noordoost-Friesland

Wat ook nodig is, is bestuurlijke kracht. In Inspiratieregio Noordoost-Friesland wordt deze gepersonifieerd door wethouder Jouke Douwe de Vries (van gemeente Noardeast-Fryslân), tevens een van de bestuurlijke ambassadeurs van Met Andere Ogen. Vanuit zijn verleden als docent en onderwijsmanager was hij gewend om aan te pakken. Met die energie ging hij voortvarend aan de slag om in zijn gemeente onderwijs en jeugdhulp beter op elkaar aan te laten sluiten. 'Mensen werden daar wel nerveus van, maar als wethouder heb je een zekere positie. Dat helpt', vertelt hij.

Ondanks de problemen die overal spelen, zoals de financiële tekorten in het sociale domein, de wachtlijsten en de hoge werkdruk mede vanwege corona, is er al veel voor elkaar gebracht in Noard-East Fryslân. 'Waar ik in geloof is investeren in de voorkant, in preventie. Dat is de plek waar je je geld het meest effectief kunt inzetten, met de beste resultaten voor het kind. We blijven dan weg van indicaties, van etiketten, en zetten grote stappen op het gebied normalisatie van problemen. Daar is echt een cultuurverandering voor nodig. Binnen het onderwijs zijn we teveel doorgeschoten richting medisch denken: wat is er mis met dit kind? Welke diagnose kunnen we stellen? Ik wil er graag aan bijdragen dat we die manier van denken gaan doorbreken.'

Op de fiets naar de ouders

Als projectleider van het verandertraject in Noordoost-Friesland is Ate de Boer aangesteld, directeur van Effectief Onderwijs. De twee hoofdthema’s waarmee hij aan de slag ging:  normaliseren en verbinden. Een van de eerste acties: de oprichting van een regiegroep, bestaande uit leidinggevenden uit onderwijs, gemeente én zorg. Deze regiegroep kreeg van het college het mandaat om binnen het speciaal basisonderwijs met reguliere middelen te doen wat nodig was om de inzet van jeugdhulp te verschuiven van behandeling naar preventie. “Voorwaarde is wel dat ze moeten laten zien dat het werkt”, zegt Jouke Douwe de Vries. “Ze krijgen veel ruimte om de jeugdhulp anders in te zetten met de daarbij de opdracht om bewijs te verzamelen voor de effectiviteit van de verschuiving.”

Inzicht krijgen in de cijfers is dan ook een van de hoofddoelen van de aanpak, zicht krijgen op de doelgroep en op de verschillen tussen scholen. De privacywetgeving maakt dat niet altijd eenvoudig maar soms hebben ze daar in Friesland eenvoudige oplossingen voor: “De directeur stapt gewoon op zijn fiets met een formuliertje onder zijn arm om ouders toestemming te vragen voor het uitwisselen van gegevens.” Voordeel is dat je ook meteen weer even een praatje hebt gemaakt.

Klein beginnen

Om de zo gewenste cultuurverandering tot stand te brengen, werken ze in Noordoost-Friesland samen met de twee Pabo’s in Zwolle. “We zijn begonnen met een leergang  interdisciplinair samenwerken rondom het jonge kind”, vertelt Ate de Boer. 'In vier intensieve bijeenkomsten brengen gemeente-, onderwijs- en zorgmedewerkers hun gezamenlijke behoeften in kaart. Ze leren zo elkaars taal te spreken zodat er een betere verbinding kan ontstaan tussen onderwijs en jeugdhulp.'

Net als in Leeuwarden geloven ze in Noordoost-Friesland in klein beginnen: 'Mensen hebben misschien behoefte aan grote verhalen waar ze bij aan kunnen haken. Maar wat echt werkt is gewoon beginnen, vaak tegen de stroom in. Je verzamelt daarmee ervaringen zodat je ook echt iets te vertellen hebt. Wees daarbij ook eerlijk naar elkaar. Durf het tegen elkaar te zeggen als iets niet werkt, of als je het gewoon niet weet. Belangrijk is dat je iets doet.'

*

De Friese aanpak van Foar Fryske Bern

Dat cijfers belangrijk zijn om veranderingen in gang te zetten, is een van de pijlers onder het provinciebrede project Foar Fryske Bern (Voor Friese kinderen). Trekkers van het project zijn Pieter van der Zwan, programmaleider en kwartiermaker hoogspecialistische jeugdhulp, en Bert Wienen, Netwerkregisseur Zorg & Onderwijs en daarnaast associate lector Jeugd aan Hogeschool Windesheim. In oktober vorig jaar gaven ze een mooi interview in de Leeuwarder Courant (zie kader) over hun boodschap die neerkomt op: ‘Normaliseren en demedicaliseren, oftewel: diagnoseloos de goede dingen doen.’

Ze hebben het Friese analysemodel ontwikkeld waarmee ze alle cijfers die beschikbaar zijn bij scholen, GGD’s, gemeenten, jeugdzorgaanbieders enz. aan elkaar kunnen koppelen, gecombineerd met de verhalen achter de cijfers die minstens zo belangrijk zijn om de cijfers te kunnen duiden.

'Uit die enorme berg informatie die we zo verzamelen, kunnen we dan met elkaar vaststellen of we de slimme dingen doen, of we sommige dingen niet beter anders kunnen doen', vertellen Wienen en Van der Zwan. 'Bijvoorbeeld: kunnen we een deel van het naschoolse aanbod niet beter onder schooltijd aanbieden? De cijfers helpen ons om op een andere manier naar de dingen te kijken. Ander voorbeeld: het beroep op dyslexiezorg is in Friesland benedengemiddeld, laaggeletterdheid juist bovengemiddeld. Is het dan niet zinvoller om het in de breedte te hebben over het stimuleren van taalontwikkeling op alle scholen, in plaats van ons te concretiseren op een laag percentage probleemgevallen?'

Verwachtingen hebben de neiging om uit te komen. Vanuit dat inzicht is het belangrijk om hoge verwachtingen te hebben van kinderen. Dan voelen ze zich gewaardeerd en gezien, en hebben ze niet meteen het gevoel dat het aan hen ligt als het een keer niet lukt.

Van der Zwan en Wienen pleiten daarbij voor een erkenning van het dilemma van de leerkracht: “Aan de ene kant zijn hoge verwachtingen nodig, aan de andere moeten leerkrachten ook een buffer kunnen zijn tegen de hoge prestatienormen die de samenleving kinderen oplegt. Gun ieder kind iemand die je ziet en voor je gaat strijden!”

Meer informatie:

www.foarfryskebern.nl

www.sdfryslan.nl/veelgestelde-vragen-inkoop-jeugdhulp-2022

https://www.ikc-leeuwarden.nl/jeugdondersteuner

 

*

Foar Fryske Bern in de Leeuwarder Courant (31 oktober 2020)

‘Weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is?’

‘Weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is?’ heet de lezing waarmee Wienen voor corona door het land trok om te vertellen over zijn promotieonderzoek. De titel verwijst naar een uitspraak van een leraar tijdens een conversatie over stoornissen, prestatiedruk en de medische blik op gedrag van kinderen. En precies zo’n gesprek zouden we volgens Van der Zwan en Wienen vaker moeten voeren.

De cijfers liegen er niet om, namelijk. Steeds meer kinderen in het regulier onderwijs krijgen psychische hulp of medicatie vanwege AD(H)D, angst of depressieve klachten. Volgens het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) is het aantal kinderen in de jeugdzorg de afgelopen twintig jaar gegroeid van 1 op de 27 naar 1 op de 8.

Op een andere manier kijken naar zorg

“De financiën domineren de discussie”, constateert Van der Zwan. “En dat is aan de ene kant logisch, want de kranen staan open en de gemeenten lopen leeg. Maar moet je het wel alleen zoeken in de financiële controle of ligt hier ook een fundamenteel, maatschappelijk probleem? En moeten we dan niet gewoon op een andere manier naar de zorg gaan kijken?”

Het is wat Van der Zwan en Wienen betreft een retorische vraag.

Van der Zwan: “De grens van het normale verschuift, het brede midden wordt steeds smaller. Alles wat te veel afwijkt van de norm, definiëren we als vreemd, gek of ziek. Of in positieve zin: uitzonderlijk, talentvol of geniaal.’’

De oorzaak ligt volgens Van der Zwan en Wienen onder meer in de toegenomen prestatiedruk die alomtegenwoordig is. Wienen: “We willen allemaal het beste voor ons kind en zonder dat we het door hebben voeren we de druk op.” Die pressie is volgens hem ook goed voelbaar in het onderwijs, dat steeds meer een wedstrijd is geworden met toetsen, normen en scores.

'We moeten af van het maakbaarheidsdenken'

Volgens de mannen is het tijd voor een kritische benadering van de maatschappelijke context waarin ouders en kinderen zich staande moeten houden. Van der Zwan: 'We moeten met elkaar het gesprek aangaan, op scholen, in de zorg, de politiek: is dit de richting die we als samenleving op willen? We moeten af van het maakbaarheidsdenken: dat je met de juiste opvoeding het ultieme kind creëert.'

Begin gewoon eens een gesprek over opvoeden op het schoolplein, tipt hij onder het mom van ‘denk groot, begin klein’. 'Het kan heel bevrijdend werken om gewoon te zeggen: het ging vanochtend zo slecht. Stel je kwetsbaar op en je zult zien dat je bijval krijgt.'

Wienen: 'Ik gun ook leerkrachten dat ze gewoon kunnen zeggen dat het even niet lukt met de klas of een bepaald kind. Dat ze om hulp durven vragen en deze dan ook beschikbaar is. En dat we de oplossing niet gelijk zoeken bij het kind, maar leerkrachten en leerlingen tijd, ruimte en rust geven. Dat zijn voorwaarden om kinderen weer te kunnen zien zoals ze zijn.'

 


Delen