01 maart 2021

Blog Paul van der Velpen

Met andere ogen de druk op jeugdzorg verlichten en ontwikkelkansen vergroten.

De jeugdzorg in Nederland is er na de decentralisatie niet beter op geworden. Iedereen is het erover eens: er is een flinke verbouwing nodig. Niet alleen omdat de kosten uit de pan vliegen, maar vooral omdat kinderen, gezinnen niet altijd goed worden geholpen. Misschien een rare vergelijking: maar kunnen we iets leren van de manier waarop de covid-19 pandemie wordt aangepakt? Vergelijk de jeugdzorg, en dan vooral de zware jeugdhulpverlening, met de intensive care. Natuurlijk moet er geld en aandacht naar de ic. Maar meer ic-bedden is niet de oplossing. Die ligt buiten het ziekenhuis. Mensen moeten hun gedrag veranderen: afstand bewaren, handen wassen, mondkapje voor. En ook dat geldt voor jeugdzorg: de druk op jeugdzorg kan alleen verminderd worden door gedrag buiten de jeugdzorg. Opvoeders, overheid, bedrijven vinden nu schoolprestaties heel belangrijk. Maatschappelijk laten we kinderen weten “hoe hoger de Cito-toets hoe gelukkiger je wordt”. In het onderwijs is nauwelijks ruimte om werk te maken van sociaal welbevinden. Een kind dat afwijkt van het gemiddelde dreigt te snel individueel geproblematiseerd te worden. Ligt het altijd aan het kind? Moet er iets in de klas veranderen? Is er in het gezin misschien sprake van financiële problemen van het gezin? Ontbreekt het ouders aan voldoende opvoedvaardigheden.  Als we niet het kind, maar de omgeving centraal stellen komen we terecht bij het gezin, de familie, kinderopvang of school, de wijk, huisartsen, jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau). Dat is de sociale basis, niet de vindplaats voor gespecialiseerde hulp. Vindplaats suggereert dat een kind zich elders kan laten “repareren” waarna het weer terugkeert in die onveranderde sociale basis. Versterkt bij het kind het beeld dat hij/zij de oorzaak is van “het” probleem. De sociale basis is een werkplaats. Iedereen die daarin een rol speelt heeft als eerste opdracht: normaliseren en niet problematiseren.

De sociale basis heeft nog een functie: vroegsignalering. Want hoe sterk de sociale basis ook is, er zullen altijd kinderen, gezinnen zijn die gespecialiseerde hulp nodig hebben. Hen tijdig in beeld krijgen, eerst kijken of er binnen gezin, binnen de wijk, binnen de school iets moet veranderen kan onvoldoende opleveren en is contact met jeugdzorg en jeugdhulpverlening nodig. Maar het vroegsignaleren kan met minste risico op bijwerkingen gebeuren door kinderopvangmedewerkers, en leerkrachten, die zich laten ondersteunen door professionals die in de sociale basis rondstappen (huisartsen, jeugdgezondheidszorg, sociaal werkers).

Hoe maken we van de sociale basis een werkplaats en verlichten we de druk op jeugdzorg en gespecialiseerde jeugdhulpverlening? In die sociale basis kun je meer met de mensen die er werken en kun je meer vertrouwen hebben in hun mogelijkheden.  Er wordt overlegd hoeveel geld gemeenten extra moeten krijgen om de gestegen jeugdzorgkosten te financieren. Zal nodig zijn. Maar kijk je met andere ogen, dan zie je een sociale basis die versterkt moet worden met een breed-preventie-pakket. Zowel in de eerste 1000 dagen van een kind (programma kansrijke start stopt eind 2021), als binnen het domein van de jeugdwet (advies van Gezondheidsraad t.a.v. opvoedondersteuning is niet uitgevoerd), maar ook in het onderwijs (programma De Gezonde school is niet structureel, heeft nog te laag bereik op onderdeel welbevinden) kan een flink scheut preventie geen kwaad. Geen losse flodders (pilots) maar een samenhangende preventie-infrastructuur met effectieve interventies in de eerste 1000 dagen, in kinderopvang en school, in de wijk:

*          15% voor universele preventie, gericht op welbevinden (je goed voelen), participatie (meer kunnen doen) en gezondheid (voeding/bewegen);

*          35% voor selectieve preventie, gericht op kinderen, gezinnen waarvan we weten dat ze wat extra’s nodig hebben);

*          50% voor geïndiceerde preventie, behandeling; fixen wat er gefixt moet worden. Hulp en bijstand voor als het misgaat. Daar zit de jeugdhulp, de jeugdzorg. Het meeste geld weliswaar, maar dat is ook het duurst. Zoals een ic-bed ook l miljoen per jaar kost.

Van belang is de cocktail met deze drie ingrediënten. Met andere ogen vergroten we de ontwikkelkansen van kinderen en verlagen we de druk op jeugdzorg.

Paul van der Velpen, adviseur publieke gezondheid, auteur Het preventie-ultimatium en voormalig directeur GGD Amsterdam


Delen